Obadja 1:1-21

Een aaneenschakeling van

rampen en ellende

door Rob Cassuto

De haftara bij de parasja Wajisjlach (Genesis/Beresjiet 32:4 – 37) is een heel bijbelboek, het kleinste boek van alle profeten, Obadja, dat uit maar 21 verzen bestaat. Het boek is een aaneenschakeling van rampen en ellende voorspellende orakels over het volk van de Edomieten, dat ten zuiden van Judea woonde tussen de Dode zee en de Golf van Akaba op en rond het Seïr gebergte. Het waren de afstammelingen van Jacobs broer Ezau (andere naam: Edom). Dat verklaart de link met de parasja Wajisjlach, waarin Jacob en zijn door hem bedrogen broer Ezau de hoofdpersonen zijn; bevreesd voor diens wraak vlucht Jacob naar het noordelijke Aram en na tweeëntwintig jaar trekt hij (nu ook genaamd Israël) bang maar moedig Ezau tegemoet, die hem niettemin in de armen sluit (1)

Ondanks de verzoening van deze stamvaders, in de parasja Wajisjlach beschreven, is de verdere geschiedenis tussen de Israëlieten en de Edomieten er een van voortdurende twisten en oorlogen geweest, hetgeen o.a doorklinkt in de woorden:

10Vanwege het geweld tegen uw broeder ​Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.

Wie was Obadja?
Volgens de Talmoed (2) was hij de Obadja, die wordt vermeld in het eerste boek Koningen hoofdstuk 18 als hofmeester van koning Achab en koningin Izebel (plm. 900 BCE). Hij was een zeer vrome man, volgens de Talmoedleraren vromer dan Abraham, want staat er over hem niet: Nu vreesde Obadja de Eeuwige zeer (1 Koningen 18:3), terwijl van Abraham niet meer wordt gezegd dan: nu weet ik dat gij de Eeuwige vreest (Genesis 22:12), dus zonder zeer, de Oude Wijzen zijn heel precies met woorden. Obadja had zijn profetische gave te danken aan zijn hulp aan de door Ba’al vereerster Isebel rabiaat vervolgde profeten (wellicht volgelingen van Elia); vijftig van hen liet hij onderduiken in de ene grot, vijftig in een andere grot. Waarom in twee grotten? Als de ene grot zou worden ontdekt, dan waren in ieder geval de andere vijftig profeten gespaard gebleven. Hoe kwam hij op dat idee? Dat had hij van Jacob, die zijn mensen, have en goed verdeelde over twee kampen voor het geval zijn broer Ezau tot de aanval over zou gaan (lees Genesis 32:7). Misschien was hij zelf een Edomiet, veronderstelt een van de Talmoedgeleerden; vandaar het door hem gereleveerde gezegde: vanuit het bos komt de bijl, ofwel: de steel van de bijl komt van de boom die hij omhakt.

Toch is het waarschijnlijker, dat hij geleefd heeft in de 6e eeuw BCE, een tijdgenoot van Jeremia (Jirmeja), die een sterk op Obadja gelijkend stuk (Jer. 49:7-22) heeft opgetekend, geïnspireerd op de val van Jeruzalem in 587. Blijkbaar heeft de schrijver de plundering van de stad en het wegvoeren door de Babyloniërs van de Judeeërs meegemaakt en is zijn boosheid vooral gericht op het leedvermaak van de Edomieten over het wegvoeren van de Judeeërs in ballingschap en op hun medeplichtigheid aan de plundering.

12U (Edom) had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder (Jacobs volk),
op de dag dat hij een vreemde  was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten tegen hen
op de dag van hun benauwdheid.
13U had de ​poort​ van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.

Edom werd later vaak als een pars pro toto voor alle vijandige niet-joden gebruikt, bijv. voor de Romeinen (3) en later voor het hele joodsvijandige westen.  Peinzend over deze verzen in het kader van de geschiedenis kwamen ze heel bekend voor. Hebben we dat later niet zo veel vaker meegemaakt? De verdrijving van de Joden uit Engeland in 1290, uit Spanje in 1492 enzovoort. Neem bijv. de zin: ‘U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof op de dag van zijn ondergang’. Opeens moest ik denken aan hoe die vele Nederlanders toekeken hoe het kwaad de Joodse landgenoten trof op de dag van hun ondergang. Hoe de verleiding groot is om maar toe te kijken als het kwaad weer wortel schiet.

noten

(1) de parasja bevat ook het bekende gevecht van Jacob met de engel en verhaalt – na de broederlijke verzoening –   de verkrachting van Jacobs dochter Dina door de prins van Sichem (Sjechem) en de wraak van haar broeders op de bewoners van die stad, de dood van Rachel in het kraambed en de dood van Isaac (Jitschak), die door Jacob en Ezau samen wordt begraven. Zie ook de verschillende commentaren op Wajisjlach, die zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Talmoed Sanhedrin 39b
(3) bv. door Nachmanides in Gate of Redemption

Voeg uw opmerking toe