Wajislach

 

Sjabbat 14 december 2019 / 16 Kislev 5780, Wajisjlach, Beresjiet/Genesis 32:4 – 36:43

Tanach blz.  66 – 75

Haftara: Owadia 1:1 – 21

Tanach blz. 1178

vertaler: Channa Kistemaker

Commentaar: Rabbijn Ismar Schorsch, hoogleraar Joodse Geschiedenis en emeritus rector magnificus van het Jewish Theological Seminary, New York.

Oorspronkelijke Engelse tekst:  http://www.jtsa.edu/legislating-intimacy

__________________________________________________________________________

Regels voor intimiteit

Het Jodendom als religie heeft geen ascetische inslag. Het ziet geen heil in zelfkastijding. Aan het einde van de Sjabbat, een dag die in het teken staat van lichamelijke en geestelijke vernieuwing, vragen we God niet alleen om vergeving van zonden, maar ook om vermeerdering van ons kindertal en van onze financiële rijkdommen. Elke morgen, in de opmaat tot het morgengebed, erkennen we Gods werk in het soepel functioneren van ons complexe lichaam. Het Jodendom heeft ervoor gezorgd dat wij de menselijke natuur niet opsplitsen in een fysiek domein, dat onheilig is, en een geestelijk domein, dat goddelijk is.

Deze holistische kijk ligt al besloten in de verhalen van Beresjiet/Genesis. Alle aartsvaders werden mensen met grote rijkdom. In de sidra van deze week keert Jaäkov, die twintig jaar tevoren met weinig meer dan een stok voor het lopen voor Esav’s razernij was gevlucht, zwaar beladen met bezittingen terug. Het verhaal geeft nergens blijk van enig ongemak tegenover dat materialisme. Integendeel, Jaäkov geeft opdracht een stortvloed aan geschenken naar Esav te brengen, met de bedoeling diens gevreesde wrok te verzachten:

„Nadat Jaäkov de nacht daar had doorgebracht, stelde hij uit het vee dat hij bezat een geschenk voor zijn broer Esav samen: tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, dertig nog zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelhengsten. (Beresjiet 32:14-16)

Ik vermoed dat de meesten van ons in deze prozaïsche opsomming niet veel meer zien dan dat Jaäkov inderdaad een zeer rijk man moet zijn geweest. De midrasj die Rasji bij deze passage citeert, plaatst de lijst in een heel ander perspectief. Hij gaat daarbij uit van de observatie, dat de lijst niet alleen nadruk legt op het benoemen van zowel mannetjes- als vrouwtjesdieren bij elke soort, maar op het verschil in de onderlinge verhoudingen. Bij tweehonderd geiten horen blijkbaar twintig bokken. Daarvan uitgaande ziet de midrasj in deze tekst de onderliggende kwestie van echtelijke verplichtingen van een man tegenover zijn vrouw. Zou bepaald niet een belangwekkend onderwerp zijn voor een religie met sterke ascetische neigingen.

Volgens de Tora moet een man zijn vrouw van voedsel, kleding en seks voorzien. Als hij daar niet in slaagt, heeft zij het recht van hem te scheiden (Sjemot/Exodus 21:10-11). Zowel de vroege vertalingen als de rabbijnen gaan ervan uit dat de Hebreeuwse term ona verwijst naar het recht van de vrouw op seksuele bevrediging. Professor Nahum Sarna schrijft in zijn commentaar: „Als dit klopt, is dit de enige plaats in de wetgeving van het Nabije Oosten waarin gewag wordt gemaakt van het recht van een echtgenote op seksuele bevrediging.” De midrasj gaat uit van deze plicht en probeert vervolgens in bedekte termen de reikwijdte ervan vast te stellen: „Mannen die niet hoeven te werken, elke dag. Arbeiders, twee keer per week. Zeelieden, eens per zes maanden. ‘Tweehonderd geiten’ hebben ‘twintig bokken’ nodig. ‘Dertig kamelen met hun veulens’, dat is elk vijftien” (Beresjiet Rabba 76:7).

Rasji vult de ontbrekende cijfers aan: „Ik heb de indruk dat het schenken van seksuele bevrediging aan je echtgenote niet voor iedere man hetzelfde is, maar samenhangt met het werk dat hij doet. Daarom staat er ‘één bok op elke tien geiten’ en ook ‘één ram op elke tien ooien’, omdat zij niet werken en graag vaak paren en dus met gemak tien geiten kunnen bevruchten. Bij de runderen, die immers moeten ploegen, gaf hij slechts vier vrouwtjes bij elk mannetje; en bij ezels, die grote afstanden lopen, slechts twee vrouwtjes bij één mannetje; bij kamelen, die nog veel verder reizen, één vrouwtje per mannetje.”

Tezamen genomen leiden de midrasj en Rasji tot een stoutmoedige exegese. Het recht op seks is niet een ternauwernood toegestane tegemoetkoming aan de menselijke zwakheid en ook niet beperkt tot de voortplanting. Het recht van een vrouw op intimiteit houdt niet op nadat de man de mitswa heeft vervuld om tenminste een zoon en een dochter te hebben verwekt. Bovendien, de Misjna bevestigt dat deze midrasj niet op zichzelf staat, maar een maatgevende opvatting weergeeft. Zij beweert met stelligheid dat het een man verboden is om zijn vrouw langer dan twee weken zonder seks te laten zitten volgens de school van Sjammai, en volgens de school van Hillel zelfs niet langer dan één week (BT, Ketoevot 5:6). Maimonides kiest de kant van Hillel en vindt echtscheiding een vereiste, als de echtgenoot erin volhardt om zijn vrouw seks te onthouden (Misjné Tora, Hilchot Isjoet 14:6). De Talmoed geeft een vrouw zelfs het recht om haar echtgenoot te verbieden een andere baan te nemen, als dat nieuwe werk met zich meebrengt dat ze minder tijd samen door kunnen brengen (BT, Ketoevot 62b). Kortom, het Jodendom verwerpt een negatieve houding die erop uit is om onze seksuele driften teniet te doen of te onderdrukken onder het mom van een menselijk ideaal.

Overigens vind ik de erkenning van verschillen tussen mensen ook prijzenswaardig. Als het gaat om huwelijkse betrekkingen, legitimeert het Jodendom diversiteit in de praktijk. De Misjna, die duidelijk de basis vormt voor deze midrasj, geeft een uiteenzetting van de verwachtingen die passen bij elke werkkring en voegt daar Tora-studenten aan toe, die niet langer dan dertig dagen van huis mogen gaan zonder de toestemming van hun vrouw. Daarvoor wordt echter geen basis in de Tenach gegeven. Het wordt eenvoudigweg voorgeschreven. Het is de midrasj die heel slim het paradigma vanuit de Tora construeert en daarmee meer kracht geeft aan deze impuls tot pluriformiteit. Recht op seksuele bevrediging is een uitgangspunt waar niet aan te tornen valt; in de praktijk bestaat er wel ruimte voor een aanpassing aan omstandigheden. Beide – uitgangspunt en praktijk – duiden, mijns inziens,  op een verlicht besef van de werkelijkheid.

Tenslotte is deze midrasj ook nog een goed voorbeeld van de wisselwerking tussen wet en traditie, halacha en aggada. Die twee domeinen zijn niet hermetisch van elkaar gescheiden. In dit geval is het duidelijk dat de wet en de waarde waarop die werd gevestigd de aanleiding vormden voor de exegese. In andere gevallen beweegt de creatieve energie in tegenovergestelde richting. De manier van denken in de midrasjiem is holistisch, theorie en praktijk worden met elkaar verbonden om altijd nieuwe betekenissen te vinden in de woorden van de Tora. Omdat het zijn water betrekt uit vele bronnen, is het Jodendom een altijd groene boom des levens.

Voeg uw opmerking toe