Sjabbat 21 maart 2020 / 25 Adar 5780, Sjabbat haChodesj, Wajakhél-Pekoedé, Sjemot/Exodus 35: 1 – 40: 38

            Tanach blz. 182 – 196

2e sefer: Sjemot 12: 1 – 20

            Tanach blz. 172

Haftara: Ezra 7: 28

            Tanach blz. 1657

vertaler: Channa Kistemaker

Commentaar: Eliezer B. Diamond is docent Talmoed en Rabbinica aan het Jewish Theological Seminary te New York.

Oorspronkelijke Engelse tekst: http://www.jtsa.edu/the-give-and-take-of-strength

__________________________________________________________________________

Het uitwisselen van kracht

Afsluitingsrituelen zijn gemeengoed in zowel seculiere als religieuze omgevingen. Een voorbeeld van het eerste is het sein van aftocht en het neerlaten van de vlag, dat het einde markeert van de officiële dienstdag op militaire kazernes. Een voorbeeld van het tweede is de sijoem, een liturgisch ritueel met een feestelijke maaltijd, dat plaats vindt bij de voltooiing van de studie van een Talmoedisch tractaat. Afsluitingsrituelen verhouden zich niet alleen tot het verleden, maar ook tot de toekomst. Aan de ene kant bevordert de afbakening in de tijd van een gebeurtenis in het verleden de zichtbaarheid van de aparte identiteit, interne samenhang, en het belang ervan. Daarbij geeft het inzicht en begrip, en soms een gevoel iets bereikt te hebben. Tegelijkertijd, door het eind te markeren, schept een afsluitingsritueel een ruimte waarin men opnieuw kan – en moet – beginnen; het verleden mag geen gevangenis noch een toevlucht zijn.

Direct nadat tijdens de komende Sjabbat de laatste pasoek van Sjemot, het boek Exodus, gezongen is, zullen we naar de voorlezer uitroepen, „Chazak, chazak, venitchazeek!”, dat ik graag zou vertalen als, „Wees sterk, wees sterk, en we zullen ons sterk maken [door jou]!”*) (Om de een of andere reden, is het geen gewoonte geworden om de bovengenoemde verklaring aan te passen aan de vrouwelijke uitgang ‘Chizki, chizki’, als een vrouw uit de Tora voorleest.) De ‘Chazak’-uitroep is een afsluitingsritueel, een handeling die de schriftelijke afbakening van de voltooiing van Sjemot zichtbaar maakt in de Tora-rol door middel van vier lege regels. Het kondigt aan dat het eerste deel van de nationale geschiedenis tot een einde is gekomen met de bouw en voltooiing van het Misjkan, het tabernakel. In dit streven was heel Israël verenigd in zijn toewijding aan een gemeenschappelijk doel; elke bijdrage -middelen, talent en inspanning – was van levensbelang, waarbij elk op zich niet voldoende was.

Het Misjkan was vanzelfsprekend niets waard zonder de tegenwoordigheid van de veronderstelde bewoner: de Sjechina, de Goddelijke Tegenwoordigheid. „Zo lang hun tocht duurde, rustte overdag de wolk van de Eeuwige op het tabernakel, ‘s nachts verscheen er een vuur in [de wolk, EBD], dat voor alle Israëlieten zichtbaar was.” (Sjemot/Exodus 40:38) Met de komst van de aanwezigheid van de Sjechina wordt de nog niet geactiveerde structuur (vertaler: van het Misjkan) bezield en begint een nieuw verhaal: „De Eeuwige riep Mosjé en zei vanuit de ontmoetingstent tegen hem.” (Wajikra/Leviticus 1:1) Het statische beeld van het Misjkan als een rustplek, in Sjemot, is in Wajikra door een dynamisch beeld vervangen: het Misjkan is een plaats geworden waar God en de mens elkaar ontmoeten, waar God en Mosjé gesprekken voeren en waar Aharon op Jom Kippoer het Heilige der Heiligen zal binnentreden.

Het is duidelijk dat een afsluitingsritueel gepast is als we het lezen van het boek Sjemot voltooien. Maar waarom de keuze voor ‘Chazak!’ als ritueel? Waarom de behoefte om de lezer aan te sporen tot sterkte en ons zelf sterkte toe te wensen? Een moment van afsluiting is ingewikkeld. We kunnen ons droevig voelen omdat het einde aangebroken is. Daarbij staan we onszelf op het moment van voltooiing toe de vermoeidheid te voelen, die we ons niet hebben toegestaan tijdens het streven naar afsluiting. Dit zorgt ervoor dat we ons niet klaar, en misschien niet wilskrachtig genoeg voelen om de volgende uitdaging, die voor ons ligt, het hoofd te bieden.

Zo is het ook met de voltooiing van Sjemot. De lezing eindigt met een crescendo, en zal toch worden gevolgd door de zegenspreuk, die gereciteerd worden aan het einde van elke aliya. Wij, de luisteraars, zijn bang dat, zoals bij de zeven magere koeien die de vette koeien opaten in Farao’s droom, het drama en de kracht van de gehoorde woorden verzwolgen zullen worden door de gewoonheid van de zegenspreuk die volgt. We weten ook dat er meer in het verschiet ligt, zoals de tragische dood van Aharons zonen (Wajikra 10:1-2), wat de inwijding van het gebouw, waarvan de constructie in Sjemot zo lieflijk werd beschreven, zal bederven. Daarom hebben we kracht nodig. We moeten gered worden van de neerslachtigheid die altijd samengaat met een einde, en we hebben kracht nodig om de verhalen die zullen volgen, het hoofd te bieden en daarin onze weg te vinden.

Maar laten we eens verder kijken. Waarom verklaren we niet eenvoudig, ‘Laten we sterk zijn’? Waarom zetten we de voorlezer apart? Onderzoek van rabbijn Eliyahu Dessler, schrijver van de midden 20e eeuwse Michtav Me’eliyahu, een verzameling essays over moesar (leer over ethisch gedrag, red.), geeft opheldering. Zoals we allemaal weten, zijn er gevers en nemers. Het blijkt echter, dat sommigen geven om te nemen, en sommigen nemen om te geven. Veronderstel dat iemand ermee instemt om een miljoen dollars te doneren aan een synagoge, maar vervolgens allerlei voorwaarden aan deze donatie verbindt; voorwaarden, die de behoeften van zijn ego dienen, maar niet die van de gemeente. Deze man geeft om te nemen; hij is een gevende nemer. Laat ons, aan de andere kant, een toegewijde arts voorstellen, die dag en nacht werkt om zijn patiënten ziekte en pijn te besparen. Op een dag deelt hij mee aan zijn patiënten, dat hij lijdt aan uitputting en een week vakantie zal opnemen. Alleen een dwaas of een ondankbaar mens zou dit als egoïsme opvatten. Deze arts neemt om te kunnen geven; hij is een nemende gever.

Zo staat het ook met ons en onze Tora-lajener. Zij is onze Mosjé, die Gods woorden verkondigt aan de kehilla. Het lajenen van de Tora is een veeleisende taak, zelfs voor degenen die jaren ervaring hebben. (Niet toevallig is Wajakhél-Pekoedé de op een na langste van de wekelijkse sidrot). De voorlezing is voorbij, de voorlezer is uitgeput. Wij zeggen: je geeft ons inspiratie door jouw lajenen van de Tora. We wensen je sterkte, zowel uit liefde voor jou en omdat we afhankelijk zijn van jouw kracht. Jij kan alleen aan ons geven, als wij ook aan jou geven.

We willen dat onze leiders ons geven wat we nodig hebben en wensen. Vaak zijn we ons niet bewust van hun behoeften en de grenzen aan hun tijd en energie. Ze willen geven, maar tenzij wij ook geven, zullen ze uiteindelijk niets kunnen geven. Laten we onze leiders sterk maken, door liefde, aanmoediging en materiële hulp, zodat wij door hen versterkt kunnen worden.

*)         Notitie vertaler: Nitchazeek = de werkwoordsvorm hitpa’el impf, eerste persoon meervoud: ‘Wij zullen onszelf sterk maken’. Een hitpa’el-vorm duidt op een wederkerend werkwoord: zich sterk maken.