Sjabbat 14 maart 2020 / 18 Adar 5780, Sjabbat Para, Ki Tisa, Sjemot/Exodus 30:11 – 34:35

            Tanach blz.  172 – 182

Haftara: Jechèzkél 36:16 – 36,

            Tanach blz. 1112

vertaler: Channa Kistemaker

Commentaar: Jeremy Tabick, promovendus in Rabbijnse Literatuur aan het Jewish Theological Seminary te New York.

Oorspronkelijke Engelse tekst: http://www.jtsa.edu/does-god-get-carried-away-a-case-of-inner-biblical-midrash

__________________________________________________________________________

El kana: een staaltje van midrasj in de Tora

Wat betekent het om El kana te zijn, „een jaloerse / naijverige God”? We zien deze uitdrukking voor het eerst in het tweede van de Tien Uitspraken/Geboden: „Jij zult je voor hen niet neerwerpen, noch hen dienen, want Ik, de Eeuwige, uw God, (ben een) El kana, die de kinderen tot in het derde en vierde geslacht straft voor de misdaad van de ouders – van hen die Mij haten; en die genade bewijst tot aan duizenden geslachten – van hen die Mij beminnen en die Mijn geboden in acht nemen. (Sjemot 20: 5-6 / Dewariem 5: 9-10)

Ik heb El kana niet vertaald omdat het woord kana inherent dubbelzinnig is: het betekent zoiets als jaloers of ijverzuchtig, of een combinatie daarvan. Het Tweede Gebod speelt in op deze dubbelzinnigheid door de uitdrukking El kana te gebruiken als scharnier tussen de volgende twee ideeën, die wel met elkaar verbonden zijn, maar toch verschillend:

  1. de Jisraëelieten mogen geen andere goden aanbidden („Je zult niet voor hen buigen enz.” = de Eeuwige zou jaloers zijn op andere goden),
  2. God zal onevenredig zwaar straffen en rijk belonen, d.w.z. ook de nakomelingen van daders worden zwaar gestraft of rijk beloond („die de misdaad straft … die genade bewijst enz.: = de Eeuwige is dan ijverzuchtig, Zijn emoties nemen het over).

Deze kwalificatie van God als ijverzuchtig is problematisch. Geloven we echt dat God Zijn oordeel door Zijn emoties laat vertroebelen? Dit wordt nog verontrustender als dit idee wordt gecombineerd met het idee dat God onevenredig rijk beloont of zwaar straft; dat lijkt toch een onrechtvaardig theologisch standpunt dat te grotesk is om in te nemen. In de woorden van Awraham: „Kan de Rechter van de hele wereld geen recht doen?!” (Beresjiet 18:25). Waarom straft en beloont God mensen niet op een billijke manier?

We komen El kana echter nog een keer tegen, en wel in Ki Tisa, de sidra van deze week, in Sjemot/Exodus 34. Een nauwkeurige lezing wekt de indruk dat de schrijver van Sjemot 34 zich bewust is van het eerdere gebruik van deze twee woorden in het Tweede Gebod, en het opzettelijk op een subversieve en nieuwe manier leest; daardoor worden die betekenis en toepassing (de Eeuwige als een jaloerse God, red.) zó ingeperkt dat ze uit het zicht verdwijnen.

In Sjemot 34 wordt het Tweede Gebod letterlijk geciteerd en worden er verschillende toelichtingen aan vastgeknoopt. Zoals we zullen zien, verandert door een van deze toelichtingen de betekenis van kana volledig ten opzichte van zijn oorspronkelijke betekenis in de Tien Geboden: „En de Eeuwige trok vóór hem voorbij en riep: Eeuwige, Eeuwige, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot in gunst en waarheid. Die gunst bewaart voor de duizendste [generatie, JT], die misdaad vergeeft en ontrouw en zonde; doch deze niet straffeloos laat, die kinderen en kleinkinderen straft voor de misdaad van ouders, tot in het derde en vierde geslacht.” (Sjemot 34:6-7) (vet, door JT).

„Want jij zult je niet neerwerpen voor een andere God, want de Eeuwige, kana [IJveraar, red.] is Zijn naam, Hij is El kana.” (Sjemot 34:14)

Sjemot 34 splitst de beide concepten (kana als jaloers én ijverzuchtig) dus op, en past El kana slechts één van de betekenissen toe. Bij het bespreken van Gods onevenredige rijke beloningen en zware straffen, benadrukt de tekst Gods medeleven en genade. Pas daarna, later in de tekst, wanneer de tekst het aanbidden van andere goden noemt, worden de woorden El kana geïntroduceerd. Met andere woorden, Sjemot 34 is zich bewust van de mogelijke interpretatie van het Tweede Gebod, namelijk dat God Zich bij zijn handelen door Zijn emoties laat leiden, en gaat daar tegenin: volgens de latere passage is God wel jaloers, maar niet ijverzuchtig (wat betreft straf en beloning, red).

De Midrasj (verhalende uitleg, red.) zegt iets vergelijkbaars: „’El kana’ – [God zegt:] Ik heers over kina, kina heerst niet over Mij.”

„[Zoals in:] Ik heers over sluimer en sluimer heerst niet over Mij, zoals er wordt gezegd: ‘Nee, Hij sluimert niet, Hij slaapt niet, de wachter van Jisraëel.’ (psalm 121: 4).” (Mechilta deRabbi Jismaël, 20: 5)

Net zoals God nooit slaapt, beweert deze stoutmoedige midrasj op het Tweede Gebod, zo wordt God nooit overweldigd door emoties. Integendeel – God heeft de volledige controle over Zijn emoties.

 (Terzijde, de Statenvertaling vertaalt ‘kana’ weliswaar met ‘jaloers’, maar in de zeventiende eeuw had ‘jaloers’ veel meer de betekenis van ‘bezitterig’ dan ‘begeert iets van een ander’ – God ‘bewaakt’ het joodse volk als Zijn bezit, red.).

Het lijkt misschien schokkend dat deze midrasj Sjemot het vers zó leest dat de betekenis tegenovergesteld wordt van wat moet zijn bedoeld. Maar deze manier van lezen vindt steun in het feit dat Sjemot 34 deze interpretatieve beweging al maakte toen het Gods kina scheidde van de idee van Gods onevenredigheid in billijkheid.

Sjemot 34 doet echter meer dan dat. De onevenredigheid in beloning en straf in het Tweede Gebod wordt gepresenteerd als iets dat God doet: een van de dingen die God doet, is degenen die de Eeuwige liefhebben ijverzuchtig (dat wil zeggen, rijkelijk, red.) belonen, en degenen die de Eeuwige haten straffen. Sjemot 34 daarentegen heeft het over wie God is. God is barmhartig en medelevend, God ‘doet’ niet alleen ‘aan liefde’ – God ‘bewaart de liefde’, en geeft daarmee aan dat God altijd op zoek is naar manieren om liefde te schenken.

Bovendien: in het Tweede Gebod is Gods beloning of straf binair – je ontvangt liefde (als je van God houdt) of straf (als je God haat). In Sjemot 34 worden liefde en straf aan iedereen uitgedeeld. Stel je voor dat je wordt gestraft voor alle zonden die zijn begaan door je ouders en grootouders, zoals deze tekst suggereert. Stel daar dan tegenover dat je ook wordt beloond voor de verdiensten van je voorouders, en wel tot in de duizendste graad. Het effect hiervan is zonder meer dat de straf volledig door de liefde wordt overweldigd!

Door slechts een paar toevoegingen te maken, ondermijnt Sjemot 34 de boodschap van het Tweede Gebod volledig en wel op twee manieren:

  1. het verschoont Gods kina van elke gedachte die zou kunnen leiden naar een God die overweldigd wordt door Zijn emoties, en die sterker beloont of straft dan wat gepast is;
  2. het vernietigt de straf voor twee volgende generaties volledig met een breed gebaar van barmhartigheid en mededogen, vanwege de verdienste van duizend voorgaande generaties.

Hieraan zien we hoe we dezelfde woorden kunnen lezen en toch, met enkele kleine toevoegingen en een verandering van de context, onze kijk op wat ze ons zouden kunnen zeggen volledig herzien. Dit is wat het betekent dat de Tora het woord van God is, en altijd opnieuw relevant. Sjemot 34 geloofde volledig in een God die ‘kana’ werd genoemd, maar niet op de manier die het Tweede Gebod bedoelde.