Sjabbat 14 november 2020 / 27 Chesjwan, Chajé Sara, Beresjiet/Genesis 23:1 – 24:67

               Tanach blz.  41 – 47

Haftara: Misjlé/Spreuken 31: 10 – 31.

               Tanach blz. 1478 – 1480

Vertaler: Channa Kistemaker

Commentaar: Sarah Wolf is docent Talmoed en Rabbijnse literatuur aan het Jewish Theological Seminary te New York.

Oorspronkelijke Engelse tekst http://www.jtsa.edu/falling-wisely

__________________________________________________________________________

Vallen met wijsheid

Chajé Sara biedt ons een scène die rechtstreeks uit een romantische komedie lijkt te komen. Halverwege de sidra heeft Rivka ermee ingestemd om met Awrahams knecht mee terug te gaan naar Kenaän, waar ze Jitschak zal ontmoeten en met hem zal trouwen. Op hun kamelen naderen Rivka en de knecht hun bestemming, terwijl de middag ten einde loopt en Jitschak ronddwaalt in het veld. De sfeer lijkt gemaakt voor een elegante en romantische kennismaking.

Maar in plaats van een pittoresk moment waarop de verloofden met stevige pas naar elkaar toe lopen, hun mantels sierlijk opbollend in de wind, vertelt Beresjiet/Genesis 24:64 ons:

“Rivka sloeg haar ogen op, zag Jitschak en viel van haar kameel.”

Bij een letterlijke lezing van de scène zou je denken dat Rivka liever een andere eerste indruk had gemaakt. Haar daaropvolgende gedrag doet ook enige verlegenheid vermoeden. In plaats van onmiddellijk naar Jitschak toe te gaan, vraagt ​​ze eerst aan Abrahams knecht wie deze ronddwalende man zou kunnen zijn. Als hij antwoordt dat het zijn meester is (en dus haar verloofde), bedekt ze zichzelf onmiddellijk met een sluier – misschien uit bescheidenheid, maar misschien gewoon omdat ze zich schaamt.

Toch lezen verschillende klassieke commentatoren Rivka’s val helemaal niet als een ongeluk, maar eerder als een opzettelijke beslissing. Ze interpreteren zowel de val als de sluier als zo bedoelde tekenen van haar bescheidenheid. Door het gebruik van het werkwoord ‘vallen’ hier te vergelijken met de doelgerichte betekenis ervan in de uitdrukking ‘op het aangezicht vallen’, wat ‘aanbidden’ betekent, stelt Ibn Ezra zich voor dat Rivka zichzelf van de kameel laat vallen als een onderdanige reactie op het zien van haar toekomstige echtgenoot. Rasjbam suggereert dat ze zich voor hem schaamde omdat ze op de kameel had gereden ‘als een man’ in plaats van schrijlings.

Misschien hebben de commentatoren voor deze minder waarschijnlijke interpretatie gekozen omdat ze zich ongemakkelijk voelden bij de omkering in deze passage van wat de feministische filmcriticus Laura Mulvey ‘de mannelijke blik’ noemde, vaak nauwkeuriger de ‘heteroseksuele mannelijke blik’ genoemd. Daarmee wordt gedoeld op het verschijnsel dat films, beeldende kunst en visuele beschrijvingen in de literatuur vaak het perspectief kiezen van een heteroseksuele man die verlangend naar het vrouwelijke lichaam staart. De focus van de westerse cultuur op vrouwen als erotische objecten dateert natuurlijk van lang vóór de film en is alomtegenwoordig in de wereld van de Oudheid. Maar in deze passage worden de typische genderrollen van zien en verlangen omgedraaid. Jitschak kijkt op van zijn overpeinzingen in het veld, maar volgens Beresjiet 24:63 merkt hij alleen de kamelen op. Het is Rivka die de aantrekkelijke jongeman in het veld ziet en zo overweldigd is door de gevoelens die dat in haar opwekt, dat ze even haar kalmte verliest en zich naar de persoon naast haar draait om te fluisteren: “Wie is dat?” Deze ongeremde uitdrukking van vrouwelijk verlangen was misschien niet bijzonder bruikbaar voor commentatoren die een bescheiden, keurige, deugdzame matriarch wilden portretteren en er daarom voor kozen om haar af te schilderen als bescheiden en zichzelf klein makend.

Hoewel dit onmiskenbaar een vrouwonvriendelijke keuze in de interpretatie is, is het ook belangrijk op te merken dat de commentatoren door bescheidenheid aan Rivka toe te schrijven, haar ook meer keuzevrijheid toekennen. Rivka begreep beslist welk gedrag van haar, als vrouw, in haar samenleving werd verwacht. En misschien gaan de commentatoren ervan uit dat zij – net als zijzelf – dacht dat het in haar voordeel was om zich daar zo goed mogelijk aan te conformeren. Als we ons voorstellen dat de val van Rivka volledig opzettelijk is, kunnen we ons een vrouw voorstellen die zich niet (letterlijk) laat meeslepen door haar gevoelens, maar eerder een vrouw die iemand ziet waarvan ze vermoedt dat die haar toekomstige echtgenoot zou kunnen zijn en die vervolgens een snelle, berekenende beslissing neemt over hoe zij zich zal voordoen.

Ik denk dat de meesten van ons elk nieuw begin – een ontluikende vriendschap of liefde, een nieuwe fase in de studie of een opwindende carrièrekans die zich aandient – ervaren als een combinatie van deze twee manieren om te ‘vallen’.

Aan de ene kant is het geen toeval dat veel van onze metaforen voor dit soort beginpunten – vooral die we het lekkerst vinden – verwijzen naar de onbedoelde manier van vallen: we vallen halsoverkop voor iemand; een baan valt ons in de schoot. We zien onszelf graag met hart en ziel een spannende situatie aangaan, spontaan reageren op ervaringen zoals die zich aandienen. Dit is een belangrijke manier om met de wereld om te gaan als ons volledige zelf: erkennen dat we niet altijd de touwtjes in handen hebben en dat we (welk geslacht we ook hebben) sterke, zelfs overweldigende emoties ervaren en daar soms ook naar handelen op onze reis door de wereld.

Aan de andere kant moeten we ook beslissingen nemen over hoe we ons in nieuwe situaties presenteren. En we kunnen besluiten dat het de moeite waard is om vanaf het begin te bewijzen dat we precies zijn wie we willen zijn in onze nieuwe rol. Als we onszelf in een baan of een relatie storten, willen we vaak controle hebben over ons eigen gedrag en over hoe anderen ons zien. Dat kan net zo waardevol en belangrijk zijn als onze momenten van emotionele expressie.

De Netziv (Naftali Zvi Yehuda Berlin, hoofd van de jesjiva van Volozhin, Litouwen, in de 19e eeuw) biedt nog een andere lezing van Rivka’s val van de kameel, in Ha’amek Davar, zijn commentaar op de Tora. Hij suggereert dat ze niet viel uit liefde of uit bescheidenheid, maar omdat ze angst voelde bij het zien van Jitschak. De Netziv merkt op dat ze pas achteraf de bediende vraagt ​​naar de identiteit van de vreemdeling en voegt eraan toe: “Ze wist zelfs niet voor wie ze bang was.” Ik denk dat deze opmerking de kern raakt van Rivka’s reactie op het zien van Jitschak, hoe we die ook wensen te interpreteren. Gevoelens als angst, overweldigende opwinding en verlangen naar controle zijn allemaal reacties op een confrontatie met het onbekende. Als we aan het begin staan ​​van iets waarvan het einde nog voor ons verborgen is, mogen we dan de moed en wijsheid hebben om te weten hoe we moeten vallen.