Deze week de haftara (wekelijkse lezing uit de profeten) die bij Soekot wordt. 

En het gebeurde, toen de priesters

uit het heiligdom gingen, dat de wolk

het huis van de Eeuwige vervulde 

door Rob Cassuto

De eerste dag van Soekot, het Loofhuttenfeest, valt dit jaar op een sjabbat. Dan is de haftara het laatste hoofdstuk van de profeet Zacharia (Zecharja).(1). De liberaal joodse gemeenschap heeft gekozen voor de haftara uit I Koningen, de verzen 8:2-21, die normaal op de tweede dag Soekot wordt gelezen, zie verderop.

Zacharia 14:1-21

Na de terugkeer van een groot deel van de ballingen uit Babylonische gevangenschap was de priester Zacharia evenals Chaggai en Malachi sterk betrokken bij de herbouw van de tempel in Jeruzalem. De eerste helft van zijn boek bevat, naast woorden van bemoediging, oproepen tot ommekeer en waarschuwingen, deels verpakt in visioenen. Ze zijn vooral bestemd voor de eigen tijd of naaste toekomst. De hoofdstukken 9 tot en met 14, laten een omslag zien en behelzen vooral profetieën over messiaanse tijden en de laatste dagen van een grote eindstrijd.
De link met Soekot zullen we verderop tegenkomen.  Bijbelwetenschappers menen dat deze hoofdstukken niet door Zacharja zijn geschreven, maar door een latere anonymus (‘Deutero-Zacharia’).

Hoofdstuk 14 gaat over de grote eindstrijd. Juist wanneer Israël in een messiaanse periode vredig en welvarend samenleeft zullen de volken tegen Jeruzalem optrekken en daar gewelddadig huishouden.(2) De helft van de bevolking zal zelfs weer in ballingschap worden weggevoerd. Maar dan grijpt de Eeuwige in met grote wonderen. De Olijfberg zal in tweeën splijten en een groot dal zal ontstaan. Daarin zal de overgebleven helft wegvluchten. Dan zal de Eeuwige verschijnen in zijn hoedanigheid van koning over de hele aarde. Op die dag zal het donker worden, zon en maan zullen geen licht geven. Als het tegen de avond weer licht wordt gaat er een rivier van zuiver water vanuit Jeruzalem naar het westen en naar het oosten stromen; het land rond de stad zal een grote vlakte worden, zodat Jeruzalem als een trots baken op die laagvlakte zal oprijzen.
14:9 En de Eeuwige zal koning worden over de hele aarde. Dan zal de Eeuwige de enige God zijn en zijn naam de enige naam. (3)

Dan is de tijd van de definitieve afrekening met de vijandige volken gekomen. De Eeuwige treft hen en hun dieren met een afgrijselijke plaag. In zijn beschrijving van de effecten van die plaag schuwt Zacharja horrorbeelden niet. Maar als dat allemaal gebeurd is lijkt er eindelijk rust over de wereld te zijn gekomen. Zacharja ziet dan voor zich, hoe (14:16) De overlevenden van de volken die Jeruzalem hebben belaagd, dan jaarlijks naar de stad (zullen) komen om de Eeuwige van de hemelse machten als koning te vereren en het Loofhuttenfeest te vieren
De volken die dat nalaten zullen dan niet met de broodnodige regen worden gezegend. Hier treffen we de associatie met het Loofhuttenfeest aan. De rabbijnen situeren dit hele eindgebeuren dan ook in de herfstmaand Tisjri, de maand van het loofhuttenfeest, dat ook in het teken staat van het afsmeken van een gunstig regenseizoen. Speciaal de zevende dag van Soekot, die Hosjanna Raba wordt genoemd is mede een biddag om tijdige regen voor de landbouw.

Wat moeten wij met deze duistere profetieën, waarin doem en heil elkaar grillig afwisselen? De middeleeuwse commentator Rasji (4) signaleert al, dat ‘de profetie van Zacharia buitengewoon raadselachtig is, omdat zijn visioenen lijken op een droom die uitleg behoeft. De waarheid van die uitleg kunnen we niet bevestigen totdat de leraar der gerechtigheid (dwz de Masjieach) komt.’
Intussen heeft de mensheid – en niet in het minst het Joodse volk – al vele helse perioden en catastrofes van apocalyptische proporties gekend, in de twintigste eeuw bovenal. De overigens met krachtige pen beschreven eschatologie van Zacharia is voor het Joodse volk en meer universeel voor de volken van de wereld door de harde realiteit achterhaald, versleten of op zijn minst gedevalueerd. (5) Maar benader je zijn verzen op individueel niveau als een allegorie voor de weg van de ziel (=Jeruzalem) door een spirituele crisis dan voel ik me op een of andere manier wel aangesproken. Want kan een ziel (of psyche, dat klinkt voor u misschien minder zweverig) niet overstelpt worden door de negativiteit van uiterlijke omstandigheden of door innerlijke vertwijfeling en dan vluchten om zich te verbergen in een diep dal tot na de als donkere nacht beleefde dag het licht weer gaat gloren (14:5 ev).

I Koningen 8:2-21.

De liberaal joodse gemeenschap heeft echter gekozen voor de haftara uit I Koningen, de verzen 8:2-21, die normaal op de tweede dag Soekot wordt gelezen.
Daarover kort het volgende. In de haftara bij de parasja Teroema kwamen we koning Salomo (Sjelomo) tegen als voorbereider en bouwer van de tempel. In de onderhavige haftara uit het boek 1 Koningen is de tempel klaar, een gebeurtenis die de rabbijnen situeren in de maand Tisjri, vandaar deze keuze. We lezen hoe de heilige ark vanuit de davidsburcht triomfantelijk en gepaard met veel offers naar het nieuwe gebouw wordt gebracht en geplaatst in de binnenste kamer, het heilige der heiligen, waar reuzengrote cherubs hun vleugels boven de ark spreiden. (8:10) En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de Eeuwige vervulde (dat rijmt bijna letterlijk met Exodus/Sjemot 40:34, de voltooiing van de tabernakel). Salomo houdt nog een lange toespraak waarin hij memoreert hoe zijn vader koning David het idee voor een tempel opvatte, maar het niet mocht realiseren; hij, Salomo heeft nu de belofte aan zijn vader om de tempel te bouwen verwezenlijkt, zodat de ark van het verbond met de stenen tafelen een waardige verblijfplaats heeft gekregen.

noten

(1) In de USA laat de Reform de verzen 10-16 weg.
(2) Rasji wijst op parallelle passages in Ezechiël hoofdstuk 38, waar de profeet een vergelijkbare eindtijdelijke grote oorlog van Gog uit het land Magog tegen Israël in detail afschildert. De middeleeuwse commentator meent dat Zacharia ook diezelfde oorlog van Gog van Magog beschrijft.
(3) Deze regel is opgenomen in het slotgebed van de synagogedienst, het Alenoe gebed.
(4) Rasji ad Zach1:1
(5) Soms is het moeilijk om het geloof in een messiaanse tijd vast te houden en is er weerzin tegen de mogelijkheid van een orgie van geweld voordat die tijd kan aanbreken. R. Yehuda Aschkenasy en Eli Whitlau spreken in het Tenachon nummer over Soekot (Tenachon 4, 1999) over het dwalen van de mensheid in de woestijn van de geschiedenis op weg naar de eindtijd, naar de soekat sjalom , ‘de loofhut van de vrede’ die eens over de aarde zal worden gespreid, wanneer de Heilige Hij zij gezegend Zijn Aangezicht niet meer verbergen zal.