Een volk bijeen roepen

door: Prof. Dr. Arnold M. Eisen, emeritus decaan van het Jewish Theological Seminary in New York.

In de eerste hoofdstukken van het boek Sjemot/Exodus worden twee heel verschillende verhalen over wie wij zijn als Joden met nadruk neergezet. Eén daarvan – vastgelegd in de Hebreeuwse titel van het boek – Sjemot of ‘Namen’ – vertelt dat wij de Kinderen van Jisraëel zijn: een natie, een volk, van meet af aan en voor altijd door onze voorouders en hun reis door het leven zo gedefinieerd. Het andere verhaal leert dat wij volgelingen zijn van Mosjé, de menselijke hoofdrolspeler van het boek, en dat we, net als hij, dienaren zijn van de God die Mosjé vanuit de brandende doornstruik riep en bij de Sinaï een verbond met ons sloot.

De Tora wil dat haar Joodse lezers zich deze beide verhalen eigen maken, en gedurende vele eeuwen hebben Joden zich aan die richtlijn gehouden. Het was vrijwel onmogelijk om een ​​Jood te zijn die niet de godsdienst beoefende die jodendom heet, en minstens zo moeilijk was het om vast te houden aan het Joodse geloof en de religieuze praktijk zonder zichzelf te zien als een lid van het Joodse volk. Gemeenschappelijke normen en sancties verzetten zich tegen beide bewegingen. Niet-joodse heersers en buren zouden het sowieso niet toestaan. Het lot van ieder individu hing af van de rechten en privileges die Joden als gemeenschap genoten. Een Jood, op enkele uitzonderingen in de loop van bijna 2000 jaar na, at met Joden, lernde met Joden en trouwde met een Jood. Anders zou hij of zij nagenoeg alleen eten en leven.

De hedendaagse realiteit is natuurlijk heel anders. Na twee eeuwen van niet altijd even gemakkelijke vooruitgang in de richting van gelijkheid en acceptatie, vinden Joden in Noord-Amerika en verschillende andere landen op de wereld zich nu zeer gerespecteerd, als gemeenschap én als individu, wanneer het gaat om werk, vriendschap en huwelijk. Tegelijkertijd zijn traditioneel geloof en praktijk in al hun variëteiten afgezwakt. Vanuit het centrum van veel Joodse levens zijn ze naar de marge verbannen. Trouw aan het Joodse volk is problematisch geworden. Waarom moet iemand zich identificeren als ‘kind van Jisraëel’, alleen maar omdat zijn ouders dat ook deden? De kwestie is nog ingewikkelder, de keuze voor het jodendom nog minder vanzelfsprekend, als iemand een niet-Joodse ouder of huwelijkspartner heeft. Ook andere Amerikanen zijn minder dan vroeger geneigd om etnische verschillen en religieuze overtuiging te behouden. Het Exodusverhaal draagt ​​een universele boodschap van hoop en bevrijding voor zowel Joden als niet-Joden, maar bindt Joodse individuen steeds minder sterk aan een volk of een onderscheidende reeks religieuze overtuigingen en praktijken.

De historicus David Hollinger heeft dit ‘post-etnische perspectief’ geprezen. Zoals hij het formuleert, geeft de nieuwe Amerikaanse beleving de voorkeur aan ‘vrijwilligheid boven onvrijwillige aansluiting’, heeft waardering voor ‘gemeenschappen op grond van afkomst in balans met het streven om ruimte te maken voor nieuwe gemeenschappen’, en bevordert ‘een meer inclusieve solidariteit die mensen met verschillende etnische en raciale achtergronden toelaat’. Post-etniciteit ‘verzet zich tegen de verankering van kennis en morele waarden in bloed en geschiedenis’. (Postethnic America, blz. 3) Sommige hedendaagse Joden hebben betoogd dat het jodendom zich aan deze verandering moet aanpassen, zich naar een nieuw paradigma moet bewegen. Dat het jodendom zichzelf moet zien als een ethische of ‘wijsheidstraditie’ en ‘tribalisme’ en ‘exclusiviteit’ moet loslaten. Ik ben het daar beslist niet mee eens. Hollinger herhaalt hiermee naar mijn mening het argument waarmee al eeuwenlang het christendom boven het jodendom wordt verheven. Zoals rabbijn David Wolpe het bondig formuleerde: “In tegenstelling tot het christendom, dat een op geloof gebaseerd systeem is (geloof in Jezus, dan ben je christen), is het jodendom familiaal. Je bent Joods geboren. Zoals elk gezin kun je lid worden (door bekering), maar er wordt van je verwacht dat je je familie ‘voelt’. Je hebt deel aan het lot van alle Joden.”

Veel Joden hebben in de afgelopen 150 jaar het Joodse geloof en de Joodse praktijk achter zich gelaten, maar behielden een sterk gevoel van verbondenheid met andere Joden. De meeste religieuze Joden van hun kant, zijn ‘seculiere’ Joden blijven beschouwen als leden van de Joodse familie, mensen tegenover wie ze verantwoordelijkheden dragen die verder gaan dan die jegens de mensheid in het algemeen. Liberalen trekken vaak partij voor conservatieven, als het gaat om Joodse kwesties. Israël en de diaspora (met zeldzame maar zeer zichtbare uitzonderingen) werken samen. Een principiële reden daarvoor is, denk ik, de erkenning van wat rabbijn Joseph Soloveitchik (in zijn essay Kol Dodi Dofek) benoemde als ‘lotsverbondenheid’ die Joden aan elkaar bindt ondanks grote verschillen in geloof en religieuze naleving. We weten dat Hitler geen onderscheid maakte tussen de verschillende soorten Joden toen hij begon met het uitroeien van ons volk. Alle Joden, waar dan ook, worden beïnvloed door het bestaan, het karakter en de acties van de staat Israël. Het leven van alle Amerikaanse Joden wordt gevormd door de politieke, culturele en sociale profielen die het Amerikaanse jodendom definiëren.

Soloveitchik voerde aan dat Joden ook gebonden zijn door een tweede verbond: dat van ‘lotsbestemming’. Voor mij betekent dit dat ons collectieve verleden – inclusief de historische ervaring van het Joodse volk door de eeuwen heen en de waarden en het wereldbeeld die aan ons zijn doorgegeven – invloed heeft op de manier waarop we over de toekomst denken en ons inspireert eraan te werken om die te verbeteren. De overtuiging dat de wereld beter kan en moet worden – rechtvaardiger, compassievoller – weerklinkt luid vanuit onze religieuze teksten. Het heeft talloze moderne Joden, al dan niet persoonlijk religieus, gemotiveerd om zich in te zetten voor een groot aantal politieke en sociale doelen. De profeten en wijzen uit de oudheid waren het oneens over de vorm die de verlossing van de wereld zou aannemen, maar niet over het geloof dát ‘masjiach’ zou komen en dat wat wij als Joden doen op de een of andere manier bij dat proces zal helpen.

Discussie over dit en elk ander element van de Joodse theologie kreeg de ruimte doordat Joodse eenheid nooit afhankelijk was van een uniform geloof. Joden waren een volk, geen kerk. Onze collectieve identiteit was gegarandeerd, waardoor er veel ruimte was voor diversiteit, verbeeldingskracht en innovatie. Geef etnische gehechtheid op, maak van het jodendom een ​​groep die wordt bepaald door het geloof in X of Y, en die vrijheid gaat verloren. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid om het geloof af te zweren en weer op te pakken, zonder bang te hoeven zijn dat je minder welkom bent in de Joodse gemeenschap, of zelfs in sjoel. Daar hebben Joden – zoals de oude grap wijselijk zegt – vaak gedebatteerd of God bestaat, de discussie onderbroken om mincha te davvenen, om hem daarna weer op te pakken. Het jodendom is, dankzij het feit dat wij Joden een volk zijn, één grote Pesachseider: men zit rond de tafel, met matze en bittere kruiden op het bord voor zich, en debatteert urenlang over de betekenis van die symbolen en de betekenis van het daar zijn.

We zullen nooit precies weten wat de Tora bedoelt als God in de sidra van deze week tegen Mosjé zegt: “ehijè asjer ehijè ” (Sjemot/Exodus 3:14; een mogelijke vertaling luidt: “Ik zal zijn wat ik zal zijn”). Wat betekent het dat de Eeuwige, onze God, ‘Eén’ is? Wat we weten, is dat wij als Joden erfgenamen zijn van deze tekst. Die spreekt ons aan. Nu we uit Egypte zijn bevrijd, moeten we werken om iedereen die tot slaaf is gemaakt te bevrijden. Onze geest, ons hart, onze ziel en onze macht zouden aan deze taak moeten worden gewijd. De verantwoordelijkheid die we voelen tegenover de hele mensheid komt rechtstreeks voort uit onze solidariteit met andere Joden.

Het doet me verdriet als ik Joden hoor zeggen dat ze ‘niet in God geloven’ en het daarom onbelangrijk vinden om Joods te zijn. Het maakt me nog verdrietiger als Joodse intellectuelen voorstellen dat Joden in Noord-Amerika, die geen band hebben met Israël, het particularisme opgeven, alle grenzen tussen Joden en anderen opheffen en het jodendom herdefiniëren als een ‘wijsheidstraditie’ die voor iedereen beschikbaar is. Grenzen zijn lange tijd cruciaal geweest voor het jodendom – net als de noodzaak om ze te overschrijden, allianties te sluiten en het lot van de hele mensheid te verbeteren. Am Jisraëel chaj – ‘het vólk Israël leeft’ – juist om dat te doen. Het leve lang en voorspoedig.