Sjabbat 15 augustus 2020 / 25 Av, Rëe,  Dewariem/Deuteronomium 11:26 – 16:17

                Tanach blz. 375 – 385

Haftara: Jesjajahoe 54:11 – 55:5

                Tanach blz. 893

Vertaler: Frits Pront

Commentaar: Rabbijn  Amy R. Perlin issumma cum laude afgestudeerd als Phi Beta Kappa aan de Princeton University. Zij is eerste rabbijn van Temple B’nai Shalom in Fairfax Station, Virginia.

Oorspronkelijke Engelse tekst: https://reformjudaism.org/learning/torah-study/torah-commentary/reih-price-doing-whatever-we-please

__________________________________________________________________________

De prijs van handelen naar eigen goeddunken

“Als elke Jood naar eigen goeddunken handelt en dat waar dan ook doet, zou het Jodendom de volgende generatie niet overleven.”

Je kan je indenken dat dit een tweet op Twitter is, het begin van een wetenschappelijk artikel over Joods voortbestaan of een advertentie op de zijkant van een bus in Jeroesjalajiem of de openingszin van een toespraak door jouw rabbijn op een Hoge Feestdag vandaag over een maand. Toch is er niets nieuws aan deze gedachte. Zolang er Joden bestaan, worstelt men met de persoonlijke trouw aan de traditie (of het ontbreken daarvan) en hoe die het voortbestaan van de gemeenschap in gevaar brengt.
De sidra van deze week onthult hoeveel wij nou juist gemeen hebben met onze bijbelse voorouders en hoeveel wij kunnen leren van de spanningen tussen de autonomie van de individuele praktijk en het snelgroeiende gezag van een gecentraliseerde religieuze organisatie, waarmee zij geconfronteerd werden.

Mijn favoriete zinnen in de Tora zijn degene die je uit het perkament zou kunnen oppakken en terugplaatsen in onze wereld. Dat zijn de zinnen die ons laten zien wat onze voorouders aan het doen waren of wat zij voelden wanneer zij als individu binnen de gemeenschap op zoek gingen naar een ontmoeting met God. Dus als wij Dewariem 12:8 lezen: “Wij zijn hier nu gewend dat iedereen offert naar het hem goeddunkt, maar dat mag niet zo blijven,” dan horen wij de stem van een gemeenschap die worstelt met de gevolgen van het toestaan aan elk individu afzonderlijk om God te aanbidden op de manier en op de plaats die voor die persoon betekenisvol was.

Zoals Professor Marc Brettler (Amerikaanse bijbelgeleerde) opmerkt: “Dewariem is een heel speciaal boek. Bijna elk deel is meteen herkenbaar door zijn karakteristieke woordkeus en kenmerkende zinnen en ritmes. De ideeën in Dewariem – speciaal het belang van het aanbidden van één God op één manier en op één plaats… – onderscheidt het boek ook van de rest van de Tora.“ (How to Read the Bible [Philadelphia: The Jewish Publication Society, 2005] pp. 93-94)

Als je de passage in Dewariem 12:8 letterlijk neemt, word je getuige van deze transitie van een offercultuur uit de woestijn, waar men overal een altaar voor God kon opzetten, naar de aanbidding van “één God op één manier en op één plaats” na het betreden van de grond van het Beloofde Land. In zijn commentaar op de pasoek beschrijft Nachmanides de offerpraktijken van ons volk in de woestijn als chaotisch omdat iedereen maar wat aan deed omdat het nou eenmaal kon. Daarom ziet Nachmanides dit vers als het voorschrijven van een nieuwe benadering van het offeren – een verandering van individuele praktijk naar een waarop de gemeenschap toezicht houdt.

Maar, als je Bemidbar leest als een document dat geschreven is in de tijd van Koning Josjiahoe (621 vdGJ), toen het volk al in “het Land” (dat wij nu Israël noemen) woonde en God daar aanbad, dan word je getuige van een typisch voorbeeld van een verandering van macht. Een overgang van een autonome godsdienstoefening naar een gecentraliseerde offercultus en eer bewijzen aan God, zoals dat werd verlangd door de gezagdragers in een poging alles onder controle te houden. De geschiedenis leert ons dat wanneer je iets verbiedt, het juist wordt gedaan. We kunnen de stemmen van onze voorouders praktisch horen, in het bijzonder die ver weg van Jeroesjalajiem, die protesteerden tegen de grenzen aan hun keuzevrijheid en praktijken uit naam van een gecentraliseerde godsdienst.

Hiervan uitgaande heeft het nut zich bezig te houden met de traditionele analytische benadering (psjat, remez, drasj en sod, gezamenlijk bekend als Pardes).
De psjat (letterlijke betekenis) van onze pasoek is alleen maar dat je, als je voet zet op de bodem van “het Land”, niet langer autonoom bent om te offeren waar je maar wilt, zoals je dat in de woestijn placht te doen. De remez (wat de tekst impliceert) is dat het hebben van een centraal gezag een probleem is voor een heleboel Joden die er van houden om dingen op hun eigen manier te doen. (Wij kennen toch allemaal wel een paar van die Joden?) De drasj (de les van onze tekst voor de huidige tijd) leert dat er altijd mensen zullen zijn die bang zijn dat spirituele autonomie gevaarlijk wordt, wanneer het het voortbestaan van onze gemeenschappelijke religie en onze gemeenschap bedreigt. De sod (het verborgen geheim) is misschien wel dat Joden, die handelen “naar eigen goeddunken” en die de gecentraliseerde instellingen van Joods leven (heden ten dage voornamelijk de synagoge) niet in ere houden, misschien wel persoonlijke voldoening vinden, maar door deze handelswijze op de lange duur een gevaar kunnen vormen voor het voortbestaan van het Joodse volk.

Rasji brengt de kwestie van Gods macht en autoriteit naar voren door te vragen: “Breng je uit eigen vrije wil offers aan God, omdat je ‘het fijn vindt om te doen’ of omdat het een plicht is die je is opgelegd?” Voor de meeste Liberale Joden druist de idee dat wij ons geloof uitoefenen of ons tot God richten omdat het verplicht is, in tegen de hoge waarde die wij hechten aan persoonlijke autonomie en aan de persoonlijke keuze hoe wij ons geloof praktiseren. Dit waren de hoekstenen van de ideologie van onze Liberaal Joodse voorouders. Hun wereld is echter niet de onze. Zij kwamen vanaf een plaats met extreme controle door de gemeenschap en een gemeenschap die zijn keuzes baseerde op kennis en naleving van het traditionele Jodendom. Als mijn leraar Rabbijn Eugene Borowitz mij iets leerde, is het dat authentieke Joodse autonomie moet ontstaan vanuit een grote kennis van de keuzes die onze traditie biedt. Een Jodendom dat persoonlijke autonomie steunde, bood die vroege Liberalen vrijheden die hen in staat stelden in de moderne wereld te leven en tegelijkertijd hun Jodendom op hun eigen voorwaarden te praktiseren. Onze verbintenis met de maatschappij in de breedste zin van het woord is vandaag de dag heel anders. Wij leveren geen strijd om deel van het moderne leven te worden. In plaats daarvan bevinden wij ons opnieuw in de spirituele woestijn. Overal waar wij leven als Joden in harmonie met de seculiere wereld, zelfs in Israël, gaan persoonlijke praktijk en keuze ten koste van heel veel en zijn zij niet altijd het gevolg van kennis.

De les van Dewariem en misschien de les van onze tijd is dat de prijs van het “handelen naar eigen goeddunken” ons onze Joodse toekomst zou kunnen kosten. De stemmen in Dewariem dagen ons uit een balans te vinden tussen onze persoonlijke spirituele behoeftes en het gemeenschappelijk belang van een gestandaardiseerde Joodse praktijk en een zich bewust zijn van een religieuze verplichting die ons voortbestaan zeker stelt.