Sjabbat 13 juni 2020 / 21 Siewan, Sjelach-Lecha, Bemidbar/Numeri 13:1 – 15:41

                Tanach blz. 292 – 300

Haftara: Jehosjoea 2:1 – 24.

                Tanach blz. 432

vertaler: Benjamin Cohen

Commentaar: Dr. Ruhama Weiss, Ph.D., is de directeur van het Blaustein Center for Pastoral Counseling bij HUC-JIR in Jeruzalem. (Het commentaar is oorspronkelijk in het Ivriet geschreven, red.)

Oorspronkelijke Engelse tekst: https://reformjudaism.org/learning/torah-study/shlach-lcha/surprising-insights-grasshopper

__________________________________________________________________________

Verrassende inzichten van de sprinkhaan

Wij leren onszelf vooral kennen door onze ontmoetingen met andere mensen. Als de mensen om me heen mij niet zeggen wie ik ben, goedschiks of kwaadschiks, dan is het zeer onwaarschijnlijk dat ik er zelf ooit achter zal komen.

Sjelach lecha, de sidra van deze week, begint met het verhaal van de spionnen die er op uit zijn gestuurd om het land Kanaän te verkennen. De spionnen maken een inschatting van de macht en mogelijkheden van de Israëlieten door middel van ontmoetingen met bewoners ter plekke. Tien van de spionnen worden afgeschrikt door wat hun ogen zien en drukken hun angst uit in krachtige beelden.

Eén van de beschrijvingen gaat over de fascinerende spiegeling en de zelfkennis, die is ontstaan in de ontmoeting met de ander: „We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Enakieten. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn.” (Bemidbar. 13:33)

De spionnen voelden zich zo klein als sprinkhanen en twijfelden er niet aan dat ook hun toekomstige vijanden hen zo zagen. Was het mogelijk dat het tegendeel waar is? Is het denkbaar dat de vijand hen vertelde dat ze ‘sprinkhanen’ waren, en dat daardoor de spionnen zichzelf als zodanig gingen zien? Misschien maakte het niet echt uit wie met het labelen begon, want op een gegeven moment werd de ervaring wederzijds – het zelfbeeld en de reactie van anderen werden één.

Talrijke commentatoren gebruiken dit vers om de spionnen streng te veroordelen:

“De spionnen waren leugenaars. De vaststelling dat ‘wij ons maar nietige sprinkhanen’ voelden, kan worden geaccepteerd, maar ‘in hun ogen ook’ – hoe zouden ze kunnen weten hoe de Kanaänieten hen zagen?” (Babylonische Talmoed, Sota 35a)

De rabbijnen van de Talmoed lossen het probleem van het negatieve zelfbeeld van de spionnen op en stellen dat de spionnen kort werden gezien door de plaatselijke inwoners van Kanaän en zich onmiddellijk op gehoorafstand verborgen, en zo te weten kwamen hoe ze werden gezien.

Naast deze concrete interpretatie wil ik de schrijver van Spreuken 27:19 als commentator aanvoeren, die zegt: “Zoals in water een gezicht een gezicht weerspiegelt, zo weerspiegelt het hart van een persoon de persoon;” en Rabbijn Moshe Alshich (1508–1593, Zefat) merkt op: “Omdat de harten als spiegels zijn.”

De Israëlietische spionnen weten dat ze zich zo klein voelen als sprinkhanen, omdat zelfbeeld het resultaat is van interactie. Als ik me als een sprinkhaan voel, is het redelijk om aan te nemen dat er iemand in mijn omgeving is die het voor mij mogelijk maakt om me zo te voelen.

De spionnen hebben de plaatselijke bevolking misschien niet per se over hen horen praten, maar ze logen niet noodzakelijkerwijs. Ze voelden dat er een “sprinkhaan sfeer” was die niet zomaar uit hun hart was ontstaan.

De sprinkhaan is een populair insect in bijbelse en rabbijnse literatuur; mensen zijn bang voor de schade die hij aanricht, eten hem (volgens verschillende recepten) en gebruiken hem als een metafoor voor levenservaringen.

Een van de meest huiveringwekkende toepassingen van de sprinkhaan is een beschrijving van de menselijke aftakeling in Prediker:

“De dag waarop de wachter trillend voor het huis staat,

de soldaten kromgebogen voortgaan,

de maalsters langzaamaan verdwijnen,

de vrouwen uit het venster staren en een schaduw lijken.

Wanneer deuren naar de straat worden gesloten,

de molen geen geluid meer maakt,

het fluiten van de vogels ijl van toon wordt,

wanneer hun lied versterft.

Je durft geen heuvel te beklimmen,

de weg is vol gevaar.

De amandelboom behoudt zijn wintertooi,

de sprinkhaan sleept zich voort,

de kapperbes droogt uit.

Een mens gaat naar zijn eeuwig huis,

een klaagzang vult de straat.” (Prediker 12:3-5)

Ondanks de raadselachtige beelden is de beschrijving van het aftakelende lichaam en het vertrek van de ziel krachtig en schokkend. De twee laatste fasen van het aftakelende lichaam zijn als een sprinkhaan die zich voortsleept en een uitdrogende kapperbes. De Wijzen van de Talmoed interpreteren deze twee beschrijvingen als het verlies van het seksuele verlangen (Babylonische Talmoed, Shabbat 152a): ” ‘En de sprinkhaan zal zich voortslepen’ – dit is liefde, ‘en de kapperbes zal uitdrogen’ – dit is verlangen.” En zo is het dat de sprinkhaan ook de achtervolger is.

Interessant is dat volgens deze bijbelcommentatoren seksueel verlangen het laatste is dat de levenden verliezen in het proces van veroudering en sterven. Deze commentaren staan in schril contrast met het gangbare beeld dat seksualiteit bij de jeugd hoort, en dat daarom de gedachte aan geriatrisch verlangen ‘onesthetisch’ en zelfs onterecht is.

Probeer bijvoorbeeld de laatste keer te herinneren dat u senioren in een film of in een advertentie zag, vooral oudere vrouwen, die zich bezighielden met een seksuele daad of zelfs maar erotiek of seksualiteit uitstraalden. Hoe wreed, schadelijk en overbodig is het moderne, polariserende wereldbeeld van senioren en seks. Een heel andere uitleg is het commentaar op het vers uit Prediker, zoals te zien is in een ontroerende aggada in de Talmoed over de laatste jaren van een van de vroegste en grootste rabbijnen van de Babylonische Talmoed, Rabbi Abba bar Aybo (175-247 CE), die meestal eenvoudigweg “Rav” genoemd wordt.

„Rav Kahana las uit de Schrift voor aan Rav. Toen hij aankwam bij het vers: ‘En de sprinkhaan sleept zich voort, en de kapperbes droogt uit’ (Prediker 12: 5), begon Rav te steunen en te kreunen. Rav Kahana zei: ‘Hieruit leerde ik dat Rav’s verlangen was uitgedoofd.’ ” (Babylonische Talmoed, Shabbat 15:2)

De rabbijnen, die doorgaans niet over hun gevoelens spreken, creëren verfijnde ‘tunnels van geleerdheid’, soms ongelooflijk diep en verborgen, om emotie uit te drukken in de situatie van het beit midrasj. Rav spreekt niet met zijn discipelen en leeftijdsgenoten over de pijn van veroudering, maar het is hem ook onmogelijk om niets zeggen. In feite hoeft hij niet veel te zeggen, aangezien we al hebben gezien dat “de harten als spiegels zijn” en dat de mensen die van Rav houden, en uit eigen ervaring de moeilijkheden van veroudering kennen, weten hoe ze Rav’s gezichtsuitdrukkingen op juiste wijze moeten lezen.

Rav Kahana hoefde alleen maar de juiste verzen te lezen, Rav hoefde slechts te zuchten, en de persoonlijke en pijnlijke realiteit lag daar in het midden van de vrienden in het beit midrasj: Rav heeft zijn seksuele verlangens verloren, Rav’s dood is nabij.

We zijn gewend te denken dat er op oudere leeftijd geen seksueel verlangen bestaat, terwijl de rabbijnen van de Talmoed ons proberen te leren, dat wanneer dat verlangen er niet meer is, de dood nabij is.  Zoveel inzicht en zoveel verdriet zijn samengebracht in vier korte zinnen van de Talmoed.

(Noot van de vertaler: een ander beeld sluit beter aan bij het liberaal Joodse gedachtengoed, namelijk dat seksueel verlangen en de keuze voor en van seksuele activiteit het voorrecht zijn van ieder individu, ongeacht de leeftijd.’)