Sjabbat 10 oktober 2020 / 22 Tisjri, Simchat Tora, Dewariem/Deuteronomium 33:1 – 29

               Tanach blz.  424 – 426

Chatan Tora: Dewariem/Deuteronomium 34:1 – 12  – Tanach blz. 426 – 427

Chatan Beresjiet: Beresjiet/Genesis 1:1 – 2:3 – Tanach blz. 3 – 5

Maftir uit 3e sefer: Wajikra/Leviticus 23: 33 – 38

               Tanach blz. 247 – 248

Haftara: Jehosjoea 1:1 – 9

               Tanach blz. 431

 Vertaler: Channa Kistemaker

Commentaar: Lord Rabbi Jonathan Sacks is emeritus opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.

Oorspronkelijke Engelse tekst: https://rabbisacks.org/end-without-an-ending/

__________________________________________________________________________

Een eind zonder eind

Wat een bijzondere manier om een ​​boek te eindigen: niet zomaar een boek, maar het boek met boeken – met Mosjé die het beloofde land vanaf de berg Nevo ziet, verleidelijk dichtbij, maar toch zo ver weg dat hij weet dat hij het tijdens zijn leven nooit zal bereiken. Dit is een slotscène die zich niet stoort aan wat je van een verhaal mag verwachten. Een verhaal over een reis moet eindigen aan het einde van die reis, met de aankomst op de bestemming. Maar de Tora eindigt vóór het eindpunt. Het sluit af in medias res. Het stopt in het midden. Het is opgebouwd als een onvoltooide symfonie.

Wij, de lezers en luisteraars, voelen mee met Mosjé’s persoonlijke gevoel van onvoltooidheid. Hij had zijn leven gewijd aan het leiden van het volk uit Egypte naar het Beloofde Land. Toch werd zijn verzoek om de taak te voltooien en de plaats te bereiken waar hij als leider zijn leven lang het volk heen had geleid, niet ingewilligd. Toen hij bad: “Sta mij toch toe over te steken en het goede land aan de overkant van de Jordaan te zien,” antwoordde God: “Genoeg, zwijg hier verder over!” (Dewariem/Deuteronomium 3: 25-26).

Mosjé – de man die voor Farao stond en de vrijheid van zijn volk eiste, die zelfs niet bang was om God Zelf uit te dagen, die toen hij de berg afkwam en de mensen rond het Gouden Kalf zag dansen, de door God uitgehouwen stenen tafelen, het heiligste voorwerp ooit door mensenhanden vastgehouden, stuk sloeg – pleitte voor de enige kleine genade die zijn levenswerk zou voltooien, maar het mocht niet zo zijn. Toen hij voor anderen bad, lukte het hem. Toen hij voor zichzelf bad, faalde hij. Dat is op zich al vreemd.

Toch is het gevoel van onvolledigheid niet alleen persoonlijk, niet slechts onderdeel van het leven van Mosjé. Het is van toepassing op het hele verhaal zoals het zich vanaf het begin van het boek Sjemot/Exodus heeft ontvouwd. De Jisraëlieten zijn in ballingschap. God belast Mosjé met de taak om het volk uit Egypte te leiden en hen naar het land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het land dat Hij aan Awraham, Jitschak en Jaäkov had beloofd. Het lijkt zo eenvoudig. Al in Sjemot 13 is het volk vertrokken, weggestuurd door een farao en een door plagen geteisterd Egypte. Binnen enkele dagen stuiten ze op een obstakel. Voor hen ligt de Rietzee. Achter hen doemen ​​de snel naderende strijdwagens van het leger van de farao op. Dan gebeurt er een wonder. De zee splitst zich. Ze steken over op het droge. De troepen van Farao raken met hun wagenwielen vast in de modder en verdrinken. Nu staat alleen de wildernis tussen hen en hun bestemming in. Elk probleem waarmee ze worden geconfronteerd – een gebrek aan voedsel, water, leiding, bescherming – wordt opgelost door goddelijk ingrijpen, bemiddeld door Mosjé. Wat valt er nog te vertellen, behalve hun aankomst op de bestemming?

Toch gebeurt het niet. Er worden spionnen gestuurd om de beste manier te bepalen om het land binnen te dringen en te veroveren, een relatief eenvoudige taak. Ze komen onverwacht terug met een demoraliserend verslag. De mensen verliezen de moed en zeggen dat ze terug willen naar Egypte. Het resultaat is dat God besluit dat ze een hele generatie lang, veertig jaar, moeten wachten voordat ze het land binnen kunnen gaan. Het is niet alleen Mosjé die de Jordaan niet oversteekt. Het hele volk heeft dat nog niet gedaan tegen de tijd dat de Tora eindigt. Dat gebeurt pas in het boek Jehosjoea, dat zelf geen deel uitmaakt van de Tora, maar van de Nevi’iem, de latere profetische en historische teksten.

Vanuit literair oogpunt is dit vreemd. Maar het is niet toevallig. In de Tora weerspiegelt stijl de inhoud. De tekst vertelt ons iets diepgaands. Het verhaal van de Joden eindigt zonder einde. Het sluit af zonder slot. Er is in het jodendom geen equivalent van ‘en ze leefden allemaal nog lang en gelukkig’ (Tenach komt hier het dichtst bij in het boek Esther). Het bijbelse verhaal mist wat Frank Kermode ‘het besef van een einde’ noemde. [1] Joodse tijd is open tijd – open voor een ontknoping die nog niet is gerealiseerd, een bestemming die nog niet is bereikt.

Dit is niet simpelweg omdat de Tora de geschiedenis vastlegt en de geschiedenis geen einde kent. De Tora vertelt ons iets heel anders dan de geschiedenis, zoals de Grieken, Herodotus en Thucydides het schreven. De seculiere geschiedenis heeft geen betekenis. Het vertelt ons gewoon wat er is gebeurd. De bijbelse geschiedenis daarentegen is vol van betekenis. Niets gebeurt bemikrè, per toeval.

Dit wordt steeds duidelijker als we bijvoorbeeld naar Beresjiet/Genesis kijken. God roept Awraham op om zijn land, zijn geboorteplaats en het huis van zijn vader te verlaten en te gaan “naar het land dat Ik je zal wijzen” (Beresjiet 12:1). Awraham doet dat, en in pasoek 5 is hij al gearriveerd. Dit klinkt als het einde van het verhaal, maar het blijkt amper het begin te zijn. Bijna onmiddellijk komt er een hongersnood in het land en moet hij vertrekken. Hetzelfde gebeurt met Jitschak, en uiteindelijk met Jaäkov en zijn kinderen. Het verhaal dat begon met een reis naar het land, eindigt met de hoofdpersonen buiten dat land, waarbij zowel Jaäkov (49:29) als Joseef (50:25) hun nakomelingen vroegen om hen terug te brengen naar het land om daar begraven te worden.

Zeven keer belooft God Awraham het land: “Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. Al het land dat je ziet, geef Ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd.” (Beresjiet 13: 14–15). Maar als Sara sterft, heeft hij niet eens een stuk land om haar te begraven en moet hij dat kopen voor een bespottelijk hoge prijs. Iets soortgelijks gebeurt met Jitschak en Jaäkov. Beresjiet eindigt zoals Dewariem eindigt – met de belofte, maar nog niet de vervulling, de hoop maar nog niet de verwerkelijking.

Voor Tenach als geheel geldt hetzelfde. Het tweede boek Kronieken eindigt met de Jisraëlieten in ballingschap. In het laatste vers, de laatste regel van Tenach, geeft Cyrus, koning van Perzië, toestemming aan de ballingen om naar hun land terug te keren: “Ieder van Zijn volk onder u – moge de Heer, zijn God, met hem zijn en hem laten optrekken” ( II Kron. 36:23). Nogmaals, anticipatie maar nog geen werkelijkheid.

Er is hier iets belangrijks aan de hand, maar het ligt zo diep, dat het moeilijk uit te leggen is. Tenach is een strijd tegen de mythe. In de mythe is de tijd zoals die in de natuur is: cyclisch. Hij doorloopt verschillende fasen – lente, zomer, herfst, winter; geboorte, groei, verval, dood. En altijd keert hij terug naar waar hij begon. De standaard plot van de mythe is dat de orde wordt bedreigd door de krachten van chaos. In de Oudheid werden deze verbeeld door Griekse goden van vernietiging. In recentere tijden hebben we gezien dat de duistere krachten een dramatische strijd voerden in Star Wars en Lord of the Rings. De held daagt ze uit. Hij glijdt uit, valt, sterft bijna, maar uiteindelijk overwint hij. De orde is hersteld. De wereld is weer zoals hij was. Vandaar het ‘nog lang en gelukkig’. De toekomst is het herstel van het verleden. Er is een terugkeer naar de orde, naar de manier waarop de dingen waren vóór de dreiging, maar er is geen geschiedenis, geen vooruitgang, geen ontwikkeling, geen onverwachte uitkomst.

Het jodendom breekt radicaal met deze manier van kijken. In plaats daarvan wordt tijd de arena van menselijke groei. De toekomst is niet zoals het verleden. Ook kan ze niet worden voorspeld, of voorzien, zoals het einde van een mythe kan worden voorzien. Jaäkov zei aan het einde van zijn leven tegen zijn kinderen: “Kom allemaal hier, dan zal ik jullie vertellen hoe het je in de toekomst zal vergaan” (Beresjiet 49: 1). Rasji, die de Talmoed citeert, zegt: “Jaäkov probeerde het einde te openbaren, maar de goddelijke tegenwoordigheid verliet hem.” We kunnen de toekomst niet voorspellen, want die hangt van ons af, van hoe wij handelen, hoe wij kiezen, hoe wij reageren. De toekomst kan niet worden voorspeld, omdat we een vrije wil hebben. Zelfs wijzelf weten niet hoe we op een crisis zullen reageren totdat deze zich voordoet. Pas achteraf leren we onszelf kennen. We staan ​​voor een open toekomst. Alleen God, die buiten de tijd staat, kan de tijd overstijgen. Het verhaal van Tenach heeft geen besef van een einde, omdat het ons constant probeert te vertellen dat we de taak nog niet hebben voltooid. Dat moet worden bereikt in een toekomst waarin we geloven, maar die we niet zullen meemaken. We zien het in de verte liggen, zoals Mosjé het heilige land vanaf de overkant van de Jordaan zag, maar net als hij weten we dat we nog niet zijn aangekomen. Jodendom is de allerhoogste uitdrukking van geloof als toekomende tijd.

De negentiende-eeuwse Joodse filosoof Hermann Cohen zei het zo:

“Wat het Griekse intellectualisme niet kon creëren, kon het profetische monotheïsme wel (…) Voor de Griek is de geschiedenis uitsluitend op het verleden gericht. De profeet is echter een ziener, geen geleerde … De profeten zijn de idealisten van de geschiedenis. Hun roeping als ziener schiep het concept van geschiedenis als toekomst in wording.” [2]

Harold Fisch, de literatuurwetenschapper, vatte dit samen in betoverend mooie woorden: “De pijnlijke herinnering aan een toekomst die nog moet worden vervuld.” [3]

Het jodendom is de enige beschaving die zijn gouden eeuw niet in het verleden maar in de toekomst heeft gelegd. We horen dit aan het begin van het Mosjé-verhaal, hoewel we pas aan het einde de betekenis ervan beseffen. Mosjé vraagt ​​God: “Hoe heet Je?” God antwoordt: “Ehijè asjer Ehijè.” Letterlijk: “Ik zal zijn die Ik zal zijn” (Sjemot 3:14). We nemen aan dat dit zoiets betekent als “Ik ben wat Ik ben – onbeperkt, onbeschrijfelijk, niet te vangen in een naam.” Dat kan een deel van de betekenis zijn. Maar het fundamentele punt is: Mijn naam is de toekomst. “Ik ben wat zal zijn.” God is in de oproep van de toekomst naar het heden, van de bestemming naar ons die nog onderweg zijn. Wat het jodendom onderscheidt van het christendom is dat in antwoord op de vraag “Is de Masjieach gekomen?” het Joodse antwoord altijd luidt: “Nog niet.” De dood van Mosjé, zijn onafgemaakte leven, zijn glimp van het land van de toekomst, is het hoogste symbool van het nog-niet.

“Het is niet aan jou om de taak te voltooien, maar je bent ook niet vrij om ervan af te zien” (Pirké Avot 2:16). De uitdagingen waarmee we als mens worden geconfronteerd, worden nooit eenvoudig, snel en volledig opgelost. De taak duurt vele levens. Het ligt buiten het bereik van een enkel individu, zelfs van de grootste; het valt buiten het bereik van een enkele generatie, zelfs van de meest legendarische. Dewariem eindigt met ons te vertellen: “Nooit meer heeft Jisraëel een profeet gekend als Mosjé” (Deut. 34:10). Maar zelfs zijn leven was noodzakelijkerwijs onvolledig.

Terwijl we hem zien, op de berg Nevo, kijkend over de Jordaan naar Jisraëel in de verte, voelen we de vérstrekkende, uitdagende waarheid waarmee we allemaal worden geconfronteerd. Ieder van ons heeft een beloofd land dat hij of zij niet zal bereiken, een horizon voorbij de grenzen van zijn of haar visie. Wat dit draaglijk maakt, is onze intense existentiële band tussen de generaties – tussen ouder en kind, leraar en leerling, leider en volgeling. De taak is groter dan wijzelf, maar hij zal na ons voortleven, zoals iets van ons zal voortleven in degenen die we hebben beïnvloed.

De grootste fout die we kunnen maken, is niets doen, omdat we niet alles kunnen doen. Zelfs Mosjé ontdekte dat het niet aan hem was om de taak te voltooien. Dat zou alleen door Jehosjoea worden bereikt, en zelfs toen was het verhaal van de Jisraëlieten nog maar net begonnen. De dood van Mosjé vertelt ons iets fundamenteels over sterfelijkheid. Het leven wordt niet van betekenis beroofd omdat het op een dag zal eindigen. Want echt: zelfs in deze wereld, nog voordat we onze gedachten richten op het eeuwige leven in de komende wereld – worden we deel van de eeuwigheid als we ons hoofdstuk in het boek over het verhaal van ons volk schrijven en het doorgeven aan degenen die na ons komen. De taak – het opbouwen van een samenleving van gerechtigheid en mededogen, een oase in een woestijn van geweld en corruptie – is groter dan ooit. Het Joodse volk is naar het land teruggekeerd, maar het visioen is nog niet voltooid. We leven nog steeds in een gewelddadige, agressieve wereld. De vrede ontglipt ons nog steeds, net als veel andere dingen. We hebben de bestemming nog niet bereikt, hoewel we haar in de verte zien, net als Mosjé. De Tora eindigt zonder een einde om ons te vertellen dat ook wij deel uitmaken van het verhaal. Ook wij zijn nog op reis. En als we aan de slotregels van de Tora komen, weten we, net als Robert Frost in zijn beroemde gedicht:

I have promises to keep,

And miles to go before I sleep. [4]

[1] Frank Kermode, The Sense of an Ending (New York: Oxford University Press, 1967).

[2] Geciteerd in Ernst Cassirer, The Philosophy of Symbolic Forms, vol. 2, Mythical Thought (New Haven: Yale University Press, 1953), 120.

[3] Harold Fisch, A Remembered Future (Bloomington, IN: Indiana University Press, 1984), 19.

[4] Robert Frost, “Stopping by Woods on a Snowy Evening,” from The Poetry of Robert Frost, ed. Edward Connery Lathem (New York: Holt, Rinehart and Winston, 1969), 224.