Sjabbat 12 september 2020 / 23 Elloel, Nitsawiem/Wajelech, Dewariem/Deuteronomium 29:9 – 31-30

                Tanach blz.  410 – 417

Haftara: Jesjajahoe 61:10 – 63:9

                Tanach blz. 904

 Vertaler: Jaap Frank en Sabine Frank-Fiedler

Commentaar: Rabbijn Jonathan Sacks is emeritus opperrabbijn van het Verenigd Koninkrijk.

Oorspronkelijke Engelse tekst: https://rabbisacks.org/nitzavim-5779

__________________________________________________________________________

Niet over de zee

Toen ik aan de universiteit studeerde – het was de tijd van studentenprotesten, psychedelische drugs en de Beatles die bij de Maharishi Mahesh Yogi mediteerden – deed het volgende verhaal de ronde. Een zestigjarige Amerikaans-Joodse vrouw was naar Noord-India gereisd om een beroemde goeroe te ontmoeten. Een enorme menigte mensen stond te wachten op een glimp van de heilige man, maar zij wurmde zich erdoor met het verhaal dat ze hem dringend moest zien en spreken. Uiteindelijk raakte ze door de menigte heen in de tent en stond ze oog in oog met de meester zelf. Wat ze die dag te zeggen had, werd een legende. Ze zei: “Marvin, luister naar je moeder. Het is mooi geweest, kom naar huis.”

Rond de zestiger jaren raakten Joden verzeild in allerlei geloof en culturen. Met één uitzondering: hun eigen geloof. Ondanks het feit dat het jodendom door de geschiedenis heen ook zijn mystici en mediteerders, dichters en filosofen, zijn heilige mannen en vrouwen en zijn zieners en profeten heeft gekend. De indruk is vaak gewekt alsof onze hunkering naar spirituele verlichting in directe verhouding staat tot zijn afstand, vreemdheid en zijn gebrek aan vertrouwdheid. We staan liever op een afstand dan te dichtbij.

Mosjé had deze mogelijkheid al ingeschat. “De geboden die Ik u vandaag heb gegeven zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. Ze zijn niet in de hemel, dus u hoeft niet te vragen wie stijgt voor ons op naar de hemel om ze daar te halen en ze ons bekend te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?” Ook zijn ze niet aan de overkant van de zee, dus u hoeft niet te vragen: “Wie steekt de zee voor ons over om ze daar te halen en er ons bekend mee te maken, zodat wij ernaar kunnen handelen?“ Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken: dus kunt u ze volbrengen. (Dewariem 30 11-14).

Met vooruitziende blik voorvoelde Mosjé dat in de toekomst Joden zouden zeggen dat we, om inspiratie te vinden, ten hemel moeten stijgen of de zee moeten oversteken. Het is overal beter dan hier. Wat zeker gold voor een groot deel van Jisraëels geschiedenis tussen de periodes van de Eerste en de Tweede Tempel. Eerst kwam de periode waarin het volk werd verleid door de goden van de volkeren om hen heen, zoals Baäl van de Kanaänieten, Chemosh van de Moabieten of Mardoek en Astarte in Babylon. Later, in de tijd van de Tweede Tempel, waren het Hellenisme in zijn Griekse en Romeinse varianten aantrekkelijk. Het is een raar fenomeen, dat het best wordt aangeduid in de gedenkwaardige tekst van Groucho Marx: “Ik wil bij geen enkele club horen die mij als lid aanneemt.” Joden hebben sinds lang de neiging om verliefd te worden op volken die dat niet op hen zijn en ze op vrijwel elk geestelijk vlak achtervolgen dat niet het hunne is. Maar het is wel ondermijnend.

Als grote denkers uit het jodendom treden, raakt het jodendom ze kwijt. Als zoekenden naar spiritualiteit naar elders gaan, gaat dat ten koste van Joodse spiritualiteit. Dat nijgt te gebeuren op precies dezelfde paradoxale wijze die Mosjé ettelijke keren beschrijft in Dewariem. Het gebeurt in tijden van welvaart, niet van armoede, of in tijden van vrede, niet van slavernij. Als er weinig is om God voor te danken, doen we dat juist wel. Als er veel is om dankbaar voor te zijn, vergeten we het.

Het waren Tempeltijden waarin de Joden idolen aanbaden of zich Helleniseerden. Joden leefden in hun eigen land en genoten ofwel van hun heerschappij of van hun autonomie. De eeuw waarin ze in Europa het jodendom aflegden, was de periode van de emancipatie – van de late 18e tot en met de vroege 20e eeuw – toen ze voor het eerst burgerrecht hadden.

In de meeste gevallen was de hen omgevende beschaving vijandig tegenover de Joden en het jodendom. Wat niet wegneemt dat men eerder de beschaving aannam die hen afwees, dan die welke de hunne was, door geboorte en erfenis te omarmen en waarin ze de kans hadden zich er thuis te voelen. Met vaak tragische gevolgen.

Door Baäl-aanbidders te worden, maakten de Jisraëlieten zich niet welkom bij de Kanaänieten. Het Hellenisme aannemen maakte de Joden niet geliefd bij de Grieken, noch bij de Romeinen. Afstand doen van het jodendom in de 19e eeuw maakte geen einde aan het antisemitisme, maar wakkerde het juist aan. Vandaar de zeggingskracht van Mosjé’s zoeken naar waarheid, schoonheid en spiritualiteit en zijn stellige oproep dat je dat niet ergens anders moet zoeken. “Het woord is dicht genoeg in je nabijheid, op je tong en in je hart om eraan te kunnen gehoorzamen.”

Het gevolg van dit alles was dat Joden andere samenlevingen meer verrijkten dan die van henzelf. Een stuk uit de Achtste Symfonie van Gustav Mahler is een katholieke mis. Irving Berlin, zoon van een chazzan, schreef ‘White Christmas’. Felix Mendelssohn, de kleinzoon van één van de meest verlichte geesten, Moses Mendelssohn, schreef kerkmuziek en herwaardeerde Bachs lang verwaarloosde Mattheus Passion. Simone Weil, één van de diepzinnigste christelijke denkers van de 20e eeuw – door Albert Camus beschreven als ‘de enige diepe denker van onze tijd’- was een kind van Joodse ouders. Evenals Edith Stein, door het katholicisme geprezen als heilige en martelaar, maar vermoord in Auschwitz omdat ze voor de nazi’s een Jodin was. Enzovoort.

Schoot Europa tekort dat het de joodsheid van jodendom en Joden niet accepteerde? Of faalde het jodendom door de uitdaging niet aan te gaan? Het is zo’n complex fenomeen dat elke simpele uitleg tekortschiet. Maar intussen raakten we wel hoogwaardige kunst, intellect en denkers kwijt.

De situatie is tot op zekere hoogte zowel in Israël als in de Diaspora gewijzigd. Er is zowel veel nieuwe Joodse muziek als een herleving van Joodse mystiek. Er is aanwas van veel belangrijke Joodse schrijvers en denkers. Desondanks presteren we, in spiritueel opzicht, niet op niveau. De diepst gewortelde spiritualiteit komt van binnenuit: vanuit een cultuur, een traditie en een sensibiliteit. Ze komen uit de syntaxis en de semantiek van de moedertaal van de ziel: “Het woord is dicht genoeg in je nabijheid, op je tong en in je hart om eraan te gehoorzamen.”

De schoonheid van Joodse spiritualiteit is precies dat in het jodendom God dichtbij is. Je hoeft geen berg te beklimmen of in een ashram te gaan om de Heilige Aanwezigheid aan te treffen. Het is aan tafel bij een sjabbesmaaltijd, in het licht van de kaarsen en de eenvoudige heiligheid van de kidoesjwijn en de challes, in de lofzegging van het esjet chajiel en het zegenen van kinderen, vanuit de rust die over ons komt wanneer we de wereld voor een enkele dag aan zichzelf overlaten, terwijl we genieten van al het goede, niet werken maar rusten, geen inkopen doen maar genieten – de giften die altijd al je deel waren, terwijl je je niet de tijd gunde om ze naar waarde te schatten.

In het jodendom is God dichtbij. Hij is er in de versregels van de psalmen, de grootste literatuur van de ziel ooit geschreven. Hij bevindt zich in het luisteren naar onze discussies bij het bestuderen van een bladzijde van Talmoed of nieuwe uitleg van oude teksten. Hij is er in de vreugde van de feestdagen, de tranen van Tisha B’Av, in de echo van de sjofar op Rosj Hasjana en in het diepe berouw van Jom Kippoer. Hij is er in de lucht van Israël en in de stenen van Jeroesjalajiem, waar de oudste en de nieuwste plekken zich vermengen als hechte vrienden.

God is nabij. Dat is het overweldigende gevoel dat een leven lang betrokken zijn bij het geloof van onze voorouders mij heeft opgeleverd. Het jodendom heeft geen kathedralen, kloosters, duistere theologieën of metafysische spitsvondigheden nodig – hoe mooi ook – want voor ons is God immers de God van iedereen en overal, die alle tijd heeft voor ieder van ons en die ons ontmoet waar we ook zijn, als we bereid zijn onze ziel voor Hem open te stellen.

Ik ben rabbijn. Jarenlang was ik opperrabbijn. Maar uiteindelijk heb ik het gevoel dat wij, de rabbijnen, het zijn geweest die niet genoeg hebben gedaan om mensen te helpen hun deuren, hun gedachten en hun gevoelens open te zetten voor de Altijdaanwezige-voorbij-het-heelal-die-ons-in-liefde-heeft-geschapen, die onze voorouders zo goed kenden en zo diep liefhadden. We waren bang – voor de intellectuele uitdagingen van een agressief-seculiere cultuur, voor de maatschappelijke uitdaging van het slechts ten dele tot de maatschappij behoren, voor de emotionele uitdaging die kritiek op of veroordeling van Joden of het jodendom of de staat Israël oplevert. Dus trokken wij ons terug achter een hoge muur in de veronderstelling daar veilig te zijn. Hoge muren maken je nooit veilig, ze maken je alleen maar angstig. Wat je wel veiligheid biedt, is uitdagingen aangaan zonder angst en daarmee ook anderen inspireren om hetzelfde te doen.

Wat Mosjé met die uitzonderlijke woorden “Het is niet in de hemel … noch is het voorbij de zee” bedoelde, was: Kinder, op de Sinai luisterden jullie ouders bevend naar Gods woord. Ze waren overweldigd. Ze zeiden te zullen sterven als ze nog meer zouden horen. Dus bedacht God manieren om Hem benaderbaar te maken zonder overweldigend te worden. Zeker, Hij is schepper, heerser-over-alles, primaire bestaansreden, verplaatser van planeten en sterren. Maar Hij is ook ouder, partner, geliefde en vriend. Hij is Sjechina – van sjachen, dat buurman betekent.

Bedank Hem dus elke ochtend dat hij je het leven gaf. Zeg twee keer per dag het Sjema voor het geschenk van de liefde. Voeg je stem bij de andere stemmen in gebed zodat Zijn geest door je heen kan stromen en je de kracht en moed kan geven om de wereld te veranderen.

Als je Hem niet kan zien, dan kijk je de verkeerde kant op. Als Hij afwezig lijkt te zijn, staat Hij pal achter je, maar je moet je omkeren om Hem op te merken. Behandel Hem niet als een vreemde. Hij heeft je lief. Hij gelooft in je, Hij wil dat je succes hebt. Je hoeft niet tot de hemel te klimmen of de zee te doorwaden. Hij is de stem die je hoort in de stilte van de ziel. Hij is het licht dat je ziet als je in verwondering je ogen opent. Hij is de hand die je grijpt als je in de put der wanhoop zit. Hij is de adem die je leven geeft.