Haftara bij de parasja Wa-Etchanan

door Rob Cassuto

De sjabbat van de parasja Wa-etchanan (1) valt na de rouwdag Tisja be-Av (donderdag 30 juli 2020), de dag waarin de verwoesting van Jeruzalem en de tempel (en nog vele andere rampen) werd herdacht. De drie weken van lichte rouw en de rouwdag zijn nu verstreken en de bijbehorende ‘zware’ haftarot zijn afgesloten. Het is nu tijd voor blijere kost en een woord van troost. Die wordt gevonden in de vaste haftara, die dan wordt gelezen uit het boek Jesaja (Jesjajahoe) hoofdstuk 40, dat begint met: Troost, troost, nachamoe nachamoe! Het is sjabbat nachamoe, de sjabbat van vertroosting. Tot Rosj Hasjana zullen de zeven haftarot van vertroosting worden gelezen, allen uit het tweede deel van het boek Jesaja(2), dat aldus begint:

401Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
2spreek naar het hart van Jeruzalem (=Israël)
en roep haar toe
dat haar strijd (3) vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de Eeuwige het dubbele (4) ontvangen heeft
voor al haar zonden
.

De verzen 3 – 5 die volgen schilderen een wereld waar, dalen worden gevuld, bergen zich tot heuvels verlagen en rotsen tot vlaktes worden om baan te maken voor de komst van de Eeuwige. Een enkele commentator ziet het louter historisch en meent dat dit slaat op de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. De gezaghebbende rabbi’s uit de middeleeuwen zoals Rasji, Ibn Ezra en David Kimchi zien deze passages vooral in het messiaanse perspectief van een triomfantelijke terugkeer in de toekomst van de ballingen uit ballingschap naar Jeruzalem

Is het wonderbaarlijke ontstaan van de staat Israël in 1948 niet de vervulling van de profetische visie? Er zijn ontegenzeggelijk wonderen geschied tijdens de eerste worstelingen van de nieuwe natie om te ontstaan en zich staande te houden; de eerste decennia vertoonden echt messiaanse trekken. Maar nu de wittebroodsjaren voorbij zijn  en Israël de goede en minder goede trekken van elke democratie laat zien met alle verschijnselen van politiek gekonkel en zelfs corruptie en autoritaire ingrepen – en de zwaarden nog lang niet zijn omgesmeed tot ploegijzers, niet materieel en niet spiritueel – , beseffen we dat de messiaanse visioenen van Jesaja het beste gezien kunnen worden als losgezongen van historische interpretatie en eerder betrekking hebben op diepgaande veranderingen in ziel en geest van Israël. Maar dan van een Israël niet opgevat als natie in de geschiedenis, maar als de spirituele essentie van iedere Jood, nee van ieder mens, van alle mensen. Het gaat dan om diepgaande veranderingen die ons als een spiegeling tegemoetkomen vanuit de toekomst, vanuit voorbij onze tijdhorizon, spiegelingen die nu al iets in ons doen opgloeien.

De volgende passages in dit hoofdstuk 40 hebben betrekking op de vergankelijkheid van ‘alle vlees’, dat is als gras, dat verdort – Rasji meent dat dit slaat op de toekomst van de naties -, een vergankelijkheid die scherp contrasteert met de macht van de Altijd Zijnde, die als een goede herder zijn kudde (Juda, de mensheid) zal leiden naar zijn bestemming. De grootsheid van de Eeuwige probeert de profeet met een paar prachtige metaforische vragen te benaderen:

2012Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
Met die onmeetbaarheid vergeleken zijn de volken
als een druppel aan een emmer,
als een stofje op de weegschaal.
(..) Alle volken zijn als niets voor Hem,
zij worden door Hem beschouwd als minder dan
niets en als leegheid
.

De profeet wijst er na deze uitgebreide omschrijvingen van de onvatbare macht van de onzichtbare Ene op, zoals vele profeten voor hem al gedaan hebben, hoe dwaas het is om een beeld te maken van metaal of hout. Beter is het in immense verwondering naar boven te kijken: (40:26) ‘Sla uw ogen op naar omhoog en zie Wie deze dingen (het uitspansel) geschapen heeft’.

Noten
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Wa-etchanan mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com
(2) Een tweede Jesaja zou ruim tweehonderd jaar later tegen het einde van de Babylonische ballingschap hebben geleefd. Deze zg. Deutero-Jesaja –  zo menen bijbelwetenschappers – heeft de hoofdstukken 40 tot 56 voor zijn rekening genomen, (sommigen veronderstellen nog een derde Jesaja, die de laatste hoofdstukken heeft geschreven).  Hij kende de wanhoop, de ellende en de heimwee van de ontheemden, die weggerukt uit hun thuisland treurden aan de rivieren van Babylon
(3) tseva’a, letterlijk ‘haar menigte’, over de juiste vertaling bestaan meerdere meningen
(4) kelipajiem bechol chata’oteiha. Letterlijk: zij nam uit de hand van de Eeuwige het dubbele voor haar zonden. Dubbele straf (dat zou niet erg rechtvaardig zijn!) of dubbele troost? De meningen van de rabbi’s lopen uiteen.